De vos

De vos

Algemeen

De hondachtigen, waaronder ook de vos, behoren tezamen met de katachtigen, de marterachtigen en de beren tot de groep van de ‘carnivoren’ of vleeseters.

Uiterlijk

Een vos is maar weinig groter dan een flinke kat, hoewel hij door zijn lange vacht en dikke staart vooral ‘s winters bedrieglijk groot lijkt. De vos heeft een oranjebruine, rode of bruingrijze vacht, korte poten en een langgerekt lichaam. De rug is donkerder dan de flanken en de buik is grijs tot bijna wit. Hij heeft een dikke, lange staart vaak met een witte punt. Hij heeft grote puntige oren die aan de achterzijde zwart zijn, een zwart-witte snuit en amberkleurige ogen. De wintervacht is veel dikker dan de zomervacht en meestal grijzer van kleur. De vos heeft een goed gehoor en reuk maar ziet minder scherp.

Afmetingen

Kop-romplengte: 50 – 80 cm
Staart: 33 – 50 cm
Gewicht: 3,5 – 10 kg
Het mannetje (rekel) is groter dan het vrouwtje (moer).

Geluid

Bij het vallen van de avond een kort, schril keffen. In de winter een lange, klagende, pauwachtige roep van het vrouwtje. In de bronsttijd geschreeuw en gegrom. Waarschuwende blafjes en klokkende geluidjes van het vrouwtje tegen haar jongen.

Leefgebied en verspreiding

De vos komt overal voor op het noordelijk halfrond behalve in hooggebergte. In Australië werd de vos ingevoerd door de Britten. In Nederland voornamelijk op de hogere gronden (oostelijke en zuidelijke provincies en Utrecht) maar breidt zich gestaag uit naar laaggelegen delen in het noorden en westen. Er leven ongeveer 80 vossen in de Oostvaardersplassen. Ook in de duinstrook tussen Noord- en Zuid-Holland komen vossen voor (hoogstwaarschijnlijk nadat ze door mensen daar zijn uitgezet). Van nature komen vossen niet voor op de Waddeneilanden. Met enige regelmaat wordt een vos door mensen hetzij levend hetzij dood daar naartoe gebracht. De levende exemplaren worden zo snel mogelijk gedood omdat de vos anders enorme schade toebrengt aan de vele vogels die er op de grond broeden.

De vos komt in vele leefgebieden voor, zowel in bos en parken, heide en venen, duinen, polders en landbouwgebieden maar ook aan de randen van of in dorpen en steden. Hij leeft waar voldoende voedsel en dekking is en jaagt bij voorkeur in het overgangsgebied van biotopen omdat daar het meeste voedselaanbod is.

Leefwijze en voedsel

Vossen krijgen eenmaal per jaar jongen. De paartijd valt in december tot februari. Enkele dagen lang volgt het mannetje het vrouwtje overal waar ze gaat en voorkomt zo dat andere mannetjes met ‘zijn’ vrouwtje paren. De paring duurt vrij lang omdat het mannetje een tijdje aan het vrouwtje blijft vastzitten. In de dagen voor de geboorte blijft het vrouwtje in haar hol. Het mannetje brengt haar dan voedsel of ze haalt een verstopte prooi op. Na een draagtijd van ongeveer 53 dagen worden eind maart of begin april de 1 tot 14, maar meestal 4 tot 5 jongen geboren in een klein hol onder boomwortels of in een rotsspleet. De jongen hebben een donkergrijsbruine kleur.

Pas na een dag of twaalf gaan de oogjes van de jongen open. Hun eerste stapjes buiten het hol zetten ze na een week of drie, vier. Tegen die tijd worden ze meestal door het vrouwtje naar een ander, groter hol verplaatst. Na vier weken krijgen de jonge vosjes vast voedsel. Het mannetje woont niet in het hol maar brengt wel voedsel aan in de eerste weken. Vanaf half juni verblijven de jongen meestal bovengronds, vaak op een plek met dicht struikgewas. Vanaf eind september gaan de jongen op zoek naar een eigen territorium. Hun zwerftochten strekken zich soms tot enkele tientallen kilometers afstand van hun geboorteplaats uit.

De vos staat bekend om de slachting die hij kan aanbrengen in een kippen- of eendenren. Ook in de natuur gebeurt dit heel af en toe in vogelbroedkolonies tijdens donkere nachten, vooral bij veel wind en regen. Deze schijnbaar zinloze slachting heet ‘surplus-killing’. Het komt voort uit de neiging van een vos om elk beest dood te bijten dat er niet goed in slaagt weg te vluchten. Die aangeboren neiging is in de natuur van groot belang. Doet zich een buitenkansje voor, dan moet hij dat aangrijpen. 80% van de jongen haalt het eerste levensjaar niet. In het wild worden vossen 9 jaar oud, in gevangenschap tot wel 15 jaar.

Territorium en verblijfplaats

Vossen jagen alleen maar leven in familieverband waarbij soms vrouwtjes een gezamenlijk territorium delen. Afhankelijk van het voedselaanbod trekken jonge vrouwtjes weg uit het leefgebied of blijven juist. Jonge mannetjes trekken weg. In voedselrijke gebieden duldt het vossenpaar (rekel, moervos met welpen) nog één of twee andere volwassen vossen in hun territorium. Steevast zijn dat dochters van één of twee jaar eerder. Deze ‘extra’ vrouwtjes krijgen zelf bijna nooit jongen, maar helpen een handje bij het voedsel aanbrengen voor de jongen. Bij het wegvallen van de moeder (door verkeer of jacht bijvoor¬beeld) kunnen ze de hele opvoeding overnemen.

Een mannetje en zijn vrouwtje delen één territorium. Zij markeren hun leefgebied met urine en een afscheiding uit geurklieren uit staart, kop en voetzolen, tegen bomen, struiken, graspollen, etc. Met onbekende zwervers worden vaak felle gevechten geleverd om ze te verjagen. Mannetje en vrouwtje blijven soms jaren bij elkaar, maar soms verlaat een van hen het leefgebied. Van ‘eeuwige trouw’ is dus geen sprake. In de paartijd zoekt het mannetje wel eens een naburig vrouwtje op.

Het territorium varieert meestal van 100 tot 400 ha maar kan ook vele malen groter zijn, afhankelijk van leefgebied en voedselaanbod. Dit varieert van 20 ha in stedelijk gebied tot wel 4000 ha in schraal heuvelland (Schotland). Aan de grootte van het territorium is af te lezen hoe ‘goed’ het leefgebied is: hoe meer voedsel en hoe groter de zekerheid dat voedsel er het hele jaar beschikbaar is, des te kleiner het territorium.

In Nederland is met behulp van zenders vastgesteld dat een vossenfamilie in ‘rijke’ natuurgebieden, zoals de Veluwezoom en de duinen, 50 tot 150 hectare (0,5 – 1,5 km2) nodig heeft; op de schralere, grotendeels beboste Veluwe zelf is dat ongeveer 250 hectare, terwijl in een meer naar het noorden gelegen landschap (Drenthe) van stukjes bos en heide, afgewisseld met veel akkers en weilanden, de vossenterritoria wel 900 hectare groot kunnen zijn. De territoriumgrens valt vaak samen met een autoweg, spoonlijn, sloot, helling,…

Vossen graven holen (burcht of wrang) die uit één of meer gangen bestaan met een diameter van 25 tot 30 cm. Vaak worden bestaande (konijnen-)holen uitgegraven. De ondergrondse holen zijn vooral bedoeld voor het grootbrengen van de jongen en worden gebruikt bij slechts weer of onraad. Overdag rusten vossen in legers tussen begroeiing of in een greppel. Dit wordt uitgekrabd en er zijn vaak vele vossenharen te vinden.

Ook dassenburchten worden benut door vossen. Bij een vossenhol ligt het uitgegraven zand recht voor de ingang; dassen deponeren het zand in een halfcirkel¬vormige of niervormige ‘storthoop’ rond de ingang. De holingang is bij een dassenburcht breder dan hoog, de ingang van een vossenhol daarentegen is ovaal, en hoger dan breed. Meestal hebben dassenburchten veel ingangen met grote storthopen, terwijl een vossenhol bescheiden van omvang is. Bij een dassenhol ligt vrijwel altijd nestmateriaal, meestal in de vorm van droog gras. Vossen bekleden hun holen niet. Bij een vossenhol hangt een typische, ranzig-zurige geur.

Sporen

Soms laten vossen plukjes haren achter op prikkeldraad, daar waar ze er vaak onderdoor kruipen. Vossenharen zijn 25 mm lang, recht, rood- tot grijsbruin met een lichte punt.

Prooiresten

Een vos bijt vaak enkele veren tegelijk af van een vogelprooi die dan aan elkaar blijven zitten. Ook een typische prooirest is een afgebeten achtervoet van een konijn of een haas. Kleine dieren eet de vos met huid en haar, van groter dieren zoals konijn en egel blijven stukken rughuid liggen.

Loopsporen

De prent van een vos lijkt op die van een hond maar is slanker. Van de vier tenen, met nagelafdruk staan de buitenste tenen geheel achter de binnenste tenen. Ook is de afdruk symmetrisch; bij een onduidelijke afdruk is niet goed te zien wat voor en achter is. De voorrand van de buitentenen komt niet voorbij de achterrand van de binnentenen; bij honden is dat wel het geval. Een vos loopt vaak in draf.

Bovenstaande informatie komt van zoogdiervereniging.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *